Paragrafen

Financiering

Ontwikkelingen

Rentevisie 2027

De overliquiditeit die er al enkele jaren is, is in 2026 nauwelijks afgenomen. Ook in 2027 zal gedurende het hele jaar nog sprake zijn van overtollige middelen. In combinatie met een stijgende rente, en een afname van de portefeuille lange opgenomen leningen, zullen wij ook in 2027 kunnen werken met een laag omslagrentepercentage. Naar het zich laat aanzien, zal de overliquiditeit in de tweede helft van 2028 dalen tot nul, en moet vanaf 2029 weer lang worden geleend. Vanaf dat moment zal de omslagrente stijgen. De mate waarin en de snelheid waarmee zijn voornamelijk afhankelijk van de rentestanden op dat moment en de voortgang van de geplande investeringen.

In de paragraaf Weerstandsvermogen en Risico's wordt er rekening mee gehouden dat de feitelijke rente anders kan verlopen. In de alinea over renterisicobeheer is te zien dat de kosten van een eventuele rentestijging zeer ruim gedempt worden, doordat sprake is van een grotere spreiding van de leningenportefeuille dan de wettelijke kaders voorschrijven. In de doorrekening van de begroting gaan wij in het jaar 2027 voor de korte rente uit van gemiddeld 2,0%, waarbij dit een rente is die wij ontvangen omdat wij verwachten dat er het gehele jaar sprake zal zijn van een positieve liquiditeit. Dat houdt ook in dat wij verwachten in 2027 geen lange leningen te hoeven aantrekken. Op dit moment (september 2026) ligt de korte rente voor leningen rond de 2,25%, en ontvangen wij circa 2,15% op de rekening courant bij de schatkist. Door de te ontvangen rente op overliquiditeit blijft de omslagrente laag. Wij hanteren voor 2027 een percentage van 0,25%.

De huidige rentestructuur is volledig genormaliseerd. Lange rente is hoger dan korte rente. Een renteswap voor 10 jaar kost 3,55% en voor een lening moet 3,86% worden betaald. Dus een liquiditeitsopslag van 31 basispunten voor 10 jaar. Bijna 0,7% meer dan een jaar eerder. Voor een 2-jarige lening wordt nu 3,38% betaald, dat is 0ngeveer 1,2% meer dan een jaar geleden. Wij zien de rente voor kort geld relatief sneller oplopen dan voor lang geld.

Overige ontwikkelingen

Gemeenten maken verplicht gebruik van Schatkistbankieren (het plaatsen van overtollige liquide middelen op een rekening bij het Ministerie van Financiën). De tarieven die het ministerie hanteert volgen het ECB tarief voor de depositofaciliteit (het tarief dat banken ontvangen wanneer zij deposito’s plaatsen bij de centrale bank). Banken weten vooraf niet of de ECB de tarieven zal verhogen of dat ze die gelijk zal houden. Een verhoging is vaak 0,25% of 0,50%. Zelfs vlak voor een vergadering van de ECB wordt er nog gespeculeerd over een eventuele verhoging en hoe hoog een mutatie zal zijn. Dat betekent dat verwachte rendementen voor kasgelden, die lopen gedurende een periode waarin de ECB rentevergaderingen heeft, op basis van verschillende interpretaties uiteen kunnen lopen. Wij plaatsen onze overtollige middelen deels bij gemeenten die korte financieringsbehoefte hebben. Bij het bepalen van een prijs moeten ook wij een inschatting maken van het verloop van de korte rente, om zo te kunnen berekenen of het aantrekkelijker zal zijn om geld op de schatkistbankierenrekening bij het Ministerie van Financiën aan te houden of om geld bij een gemeente te plaatsen. De actuele ECB depositorente (deze vormt de basis voor de rekening courant tarieven van de ECB) ligt op 2,25%. Verwachting is dat deze rente de komende maanden iets zal stijgen.

De overliquiditeit die wij per ultimo 2026 verwachten bedraagt 228 miljoen euro. Daarover wordt nog een substantieel bedrag aan renteontvangsten verwacht gedurende de tweede helft van 2026 en in 2027. Wij verwachten dat de omslagrente in 2026 op 0,00% uitkomt, waar we in de primaire begroting 0,25% hadden opgenomen. Voor 2027 gingen wij eerst uit van 0,4%, maar dat is bijgesteld naar 0,25%.

Om de nationale schuld en het Nederlandse begrotingstekort te beheersen zijn er afspraken gemaakt tussen het Rijk en de gemeenten. Deze afspraken zijn in een wet vastgelegd, de zogenaamde Wet HOF (Houdbare overheidsfinanciën). Binnen de rijksbegroting zien wij toegenomen kosten. Grootste post voor het rijk komt van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (€ 126 miljard aan met name AOW en uitkeringen) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (€ 118 miljard, met name zorg en Zorgverzekeringswet). Defensie-uitgaven zijn begroot op € 35 miljard, maar die zullen de komende jaren naar verwachting toenemen.

Eind 2014 is de Regeling Uitzettingen en Derivaten Decentrale Overheden (RUDDO), als onderdeel van de Wet Financiering Decentrale Overheden (FiDO), aangepast. Intussen is dat ruim 10 jaar geleden. De ratingeisen die in deze regeling worden aangegeven zijn intussen achterhaald nu verplicht gebruik moet worden gemaakt van schatkistbankieren, maar zijn binnen de wet nog niet geactualiseerd. Wel is er een kleine drempel, die buiten deze verplichting geldt. Daarom hanteren wij in ons treasurystatuut voorlopig nog een ondergrens van AA-.

De administratieve organisatie van de treasuryfunctie is georganiseerd conform het door uw Raad op 21 mei 2024 vastgestelde Treasurystatuut. Het statuut is in werking getreden per 1 januari 2024. Het bevat geen wijzigingen ten aanzien van de administratieve organisatie.

Treasurystatuut 2024 | Lokale wet- en regelgeving (overheid.nl)

Deze pagina is gebouwd op 10/15/2026 11:20:25 met de export van 10/15/2026 10:43:15